Trauma opgelost van 72jarige man in drie sessies

                            Trauma

Als jongetje van 5 heb ik mezelf ‘groot’ en ‘volwassen’ verklaard

 

Met die gedachte liep ik al een groot deel van mijn leven rond. Als een constatering, zonder naar gevoel. Een relatie met hedendaags gedrag van mij zag ik niet, en ook geen aanleiding om daar in te duiken. Het leven is van nu en morgen. 

Ik raakte in gesprek met iemand die bezig was met eigen trauma

 

verwerking en zij raadde mij het boek aan van Jan Geurtzen.  Dat opende een wereld van inzicht. Vooral resoneerde gevoeligheid voor afwijzing en zelfafwijzing. Opgestart in mijn vroege jeugd. Dat leidde bij mij tot afsluitgedrag  en disproportionele woede. Waar belangrijke anderen last van hadden. 

Reden voor mij om met mijn jeugdtrauma aan de slag te gaan

 

Mijn leeftijd( 72) maakte niet uit, ik heb immers het eeuwige leven. 

In dezelfde tijd las ik het boekje: mensen zijn ingewikkeld. Daardoor kwam ik op het idee met 2 verschillende therapeuten te werken, 

er veel over te vertellen in mijn sociale omgeving en er aandacht aan te geven in zelfreflectie en meditatie. Ik hield ook verslag bij van het proces en als het kon ging ik voor en na iedere therapie sessie min. een uur wandelen. 

Zonder therapie was ik niet veel opgeschoten

 

Het gaat wel om de goede inzichten en het vinden van een weg om oude vastzittende emoties een plek te geven, respectievelijk voldoende te laten wegvloeien.


Ik heb leren accepteren dat mijn moeder niet kon geven wat nodig was, en mij zelfs voor de opgave stelde haar liefdevol te helpen. Een onmogelijke opgave, waardoor mijn enige oplossing was te ontsnappen door
‘mijn eigen weg’ te gaan. Daarbij geholpen door een ongewone dosis slimmigheid. 
 Maar daardoor ook onbewust een grote bak verdriet en pijn opgeslagen.

Jan Geurtzen regressietherapie, hypnose,

Die bak is toegankelijk geworden

 

en ik heb een manier gevonden om die grotendeels weg te laten vloeien 

Als resultaat van dit proces zijn mijn gedragsgevolgen vrijwel verdwenen.

Bovenop mijn normale ‘sterkte’ is een laagje veerkracht gekomen. 

Xander Milo ( pseudoniem, echte naam uiteraard bekend bij Laura) 

Kortverhaal Haarlemmermeer over de buurman

Buurman

Ik had hem nooit van dichtbij gezien. Meestal zag ik hem op een afstand over zijn eigen boerenland lopen wanneer ik over de weg naar huis fietste. Dan bleef hij me volgen met ogen die als wespenangels in mijn rug haakten. Alsof hij me wilde steken en daarna verlammen. Als een bezetene fietste ik naar huis. Thuisgekomen smeet ik mijn fiets in de schuur en rende naar binnen.
“Was het weer zover?” vroeg mijn moeder en lachte fijntjes.
“Je zult er wel aan wennen, mannen zijn nu eenmaal jagers”.
“Hoezo, hij had helemaal geen geweer bij zich” hijgde ik in mijn domme onschuld.
”Ach, je komt er nog wel achter kind”. Het was een van haar vaste gezegdes.
hoofddorp Haarlemmermeer

Ik snapte niks van haar en van de wereld.

Ik snapte niks van mannen en nog minder van jagers. Wel voelde ik hoe mijn lichaam hier nieuwsgierig en geprikkeld op reageerde. Ik was dertien, geen kind en geen vrouw. Mijn plan was: alles en nog veel meer uit dit leven halen. In ieder geval meer dan mijn moeder, die met een boerenknecht getrouwd was en als enig uitje schoonmaken mocht op de boerderij.
Die enge buurman, waar we nooit kwamen, woonde slechts een paar honderd meter bij ons vandaan.
Het was een warme septemberdag. Toen de school uitging fietste ik naar huis om me snel te verkleden. Met aardappels rapen kon ik extra geld verdienen voor een duster. Nog maar net in de raappositie, met vóór me het stuk gerooide aardappels, naderde zijn korte gestalte. Het was de oude boer van hiernaast. Zijn ogen verslonden mijn lichaam. Toen we als arbeidersgezin hier kwamen wonen zei mijn moeder over hem: “Zorg dat je nooit met deze man alleen bent, want deugt niet”.

Mijn moeder overdreef altijd.

En daarbij, ik maakte zelf wel uit wat ik deed. Ik had ervoor kunnen kiezen om weg te lopen. Maar ik wilde zó graag de roze gewatteerde duster met kanten ruches kopen, die ik in de manufacturenwinkel gezien had, dat ik het metaaldraden mandje voor me uit bleef schuiven. Vól moest die mand, en de volgende ook. Met twee handen tegelijk raapte ik zoveel mogelijk aardappels in één keer. Als ik flink doorwerkte, kon ik wel vijf mandjes in een half uur halen.
Toen hij vlak voor me stond, sprak hij me vanuit de hoogte aan. Met zijn linkerlaars trapte hij enkele aardappels die ik nog moest rapen, diep de klei in. Mijn moeders woorden maalden door mijn hoofd.
“Zo, wie ben jij?” vroeg hij, zijn onderlip naar voren duwend. Ik wist niets uit te brengen, terwijl ik toch niet op mijn mondje gevallen was. Omdat ik pasgeleden mijn lange haar in een “beatle-kopje” had laten knippen, kon ik mijn gezicht niet verbergen.
Uit de klei getrokken
“Ben jij van híér?” ging hij verder en stak zijn duimen achter zijn bretels waardoor zijn buik naar voren helde. Ik zat op mijn knieën en liet mijn achterwerk langzaam op mijn enkels zakken. Mijn ogen strak gericht op een punt aan de horizon, kon ik zijn ogen vermijden. Slechts het standsverschil, dat ik een dertienjarige dochter van de boerenknecht en híj landeigenaar van hiernaast was, zorgde ervoor dat ik niet wegvluchtte.
“Ja, ik woon sinds een jaar naast boer van Beem”, antwoordde ik kortaf.
Ik krabbelde omhoog en bekeek mijn vieze handen uitvoerig. Ik voelde hoe zijn ogen mijn lichaam aftastten en voelde me steeds onbehaaglijker. Toen ineens, keerde hij zich, zonder te groeten om, en beende over de nog ongerooide aardappelruggen richting boerderij. Met trillende handen streek ik de vieze vingers door mijn haar. Kleikorreltjes vielen naar beneden. Mijn adem stokte, mijn keel hoestte stof uit.
Mijn hoofd draaide zich af naar de nog ongerooide aardappelruggen die bedekt waren met blauwwitte bloempjes, die op hun groene loof zachtjes met de wind meebewogen. Nog één keer keek ik. Zijn bruine manchester broek slobberde om zijn benen. Vastbesloten geld te verdienen, zakte ik weer door mijn knieën. En dacht alleen nog aan de dertien gulden voor mijn duster.
Na het aardappelseizoen kwam boer van Beem bij ons aan huis. Hij kwam nooit zomaar langs. “Willem”, zei hij tegen mijn vader, “Het is al dagen stil op de boerderij van de oude boer hiernaast. Wil je er eens gaan kijken?”
“Ik ga niet alleen”, verweerde mijn vader zich, terwijl hij stuurs lángs de jonge boer keek. Samen gingen ze poolshoogte nemen. Nooit vergeet ik de uitdrukking op mijn vaders gezicht, toen hij terugkwam. Op mijn moeders vragende blik knikte hij zwijgend. Zijn ogen in een donkere blik naar binnen gekeerd.
Vooraf had de boer een uitgebreide maaltijd tot zich genomen. Een mierenkolonie en strontvliegen waren bezig de overblijfselen op te ruimen. Hij had een dik touw bij de ijzerwarenwinkel aangeschaft.
“Hij deed vieze dingen met jongens, hij moest zitten”, zei mijn moeder.
“Blijkbaar wilde hij liever hangen dan zitten”, giechelde ze en wriemelde zenuwachtig aan de stof van haar schort.
Mijn jongere buurjongens die dichter bij de man woonden en waar ik soms mee speelde, waren die dag achter de mannen aangeslopen. Jammer genoeg had geen van de vaders het ze verboden. Op een middag trof ik ze vechtend over de grond aan.
“Blauw was hij”, gilde de één. “Nietes, paars!” gilde de ander met overslaande stem. Ik wilde ze uit elkaar halen maar wist niet hoe.
“Hou op”, stampvoette ik. Toen ze mij opmerkten kwam er verandering in de kluwen. Grijnzend kwamen ze op mij af. Schel lachend draaiden ze bokkensprongen makend om me heen. “Zo ging het, zijn ogen puilden uit zijn gezicht. Kijk zo”.
De oudste tilde de jongste omhoog terwijl zijn handen diens keel dichtknepen. Dunne jongensbenen spartelden amper boven de grond. Het gepijnigde gezicht zwol rood op. “Nee, niet doen”, schreeuwde ik en sloeg mijn handen voor mijn gezicht. Door mijn vingers heen zag ik hoe die grote almaar bleef doorgaan. Machteloos en te bang dat ze mij ook zouden pakken, bleef ik trillend stilstaan. Vastgekleefd aan de vloer. Toen het gekreun wegstierf ging ik er als een haas vandoor.
Vroege zonnestralen verlichten de slaapkamer. Aan de kastdeur hangt mijn roze duster. De enge boer hebben ze begraven. De buurjongens hoef ik voorlopig niet meer te zien.

Copyright

Laura Daggers Transpersoonlijk Regressietherapeut Haarlemmermeer

Ouders

Kinderen die ouders opvoeden?
Of ouders die kinderen opvoeden!

https://www.lauradaggers.nl/2016/01/08/opvallend-dat-de-meeste-kinderuitspraken/
Kinderen willen leren en zijn loyaal tot in het diepst van hun ziel

 

Het is natuurlijk de bedoeling dat ouders kinderen opvoeden. Soms lijkt het andersom, dat het kind de ouders opvoedt. “Teach your parents well, their children’s hell will slowly go by”, zongen Crosby Still Nash and Young destijds.

Geloven in God is incasseren

Ik heb geleerd andermans waarheid in te slikken. Letterlijk. Iedere mening was beter dan de mijne. Het ‘’andermans ‘’beterweten’’ van mijn moeder, vader, juf, meester, tantes, ooms, oma en opa en die van de kerk en de dominee, als waarheid aannemen, is iets wat ik lang gedaan heb. Onnatuurlijk was dit. Dát wel. Iets wat me jarenlang maagzuur, angst, machteloosheid en hartkloppingen opleverde.

Later kwamen ook de lusteloosheid en de depressie.

Hoe is het om volwassen te worden? Soms, maar meestal vaak, zijn ouders nog niet volwassen. Omdat ze zelf nog ‘’zere plekken’’ hebben.Je hebt ouders die je slaan of je liefkozen. Ouders die je nooit aanraken.

Of ouders die je wel aanraken en dan op verkeerde plekken. Ouders die je beschermen tegen de buitenwereld, die je beschermen tegen je eigen binnenwereld. Zodat je je niet verder kunt ontwikkelen. Ouders waarvan je niets mag, niet buitenspelen, omdat je kleren vies worden. Niet binnen spelen, niet ‘’zo’n leven maken”,  niet naar balletles, niet naar paardrijden. Je hebt ouders waarvan je niet naar die leuke club mag omdat er geen geld is, of omdat er geen tijd is, of gewoon omdat zíj het niet willen. Of omdat ze geen zin hebben om jou ernaartoe te brengen.

Je hebt ouders die wel van kinderen houden

als ze klein zijn, maar als ze groter worden – iets waar jij niks aan kan doen – ineens niet meer van je houden. Omdat je dan een eigen mening hebt en lastige vragen stelt. Of omdat je een té mooie jongedame bent geworden of een té stoere jongeman. Je hebt rijke ouders en arme ouders. Rijke hebben geld en arme hebben tijd. Tijd voor jou. Soms zit de energie van jouw ouders teveel in jou.

Toen ik de opleiding voor regressietherapeut deed, ontdekte ik dat ik afschúwelijke ouders had. Trouwens alle ouders kwamen in een kwaad daglicht te staan. Mijn moeder bijvoorbeeld, was dominant. Mijn vader liet haar, waardoor hij werd gezien als een lieve zachtaardige man, terwijl hij de weg van de minste weerstand nam.

Mijn vader was boerenknecht, letterlijk de lijfeigene van de boer.

Ik erfde zijn onderdanigheid en gehoorzaamheid.

Ik richtte mijn leven in zoals hij, met steeds een veranderend bestand van vrienden en vriendinnen. Nadat ik er ruzie mee gemaakt had, wilde ik ze nooit meer zien. Zo had ik het ook van mijn vader geleerd.

Tijdens de http://tasso.nl/ opleiding heb ik geleerd dat door middel van regressietherapie, de voor het kind akelige gebeurtenissen vanuit mijn onbewuste naar het bewust-zijn zijn  gebracht. Akelige zaken waardoor mijn ontwikkeling stagneerde, mijn lichaam doorgroeide, en het nét was alsof ik volwassen was! Na de sessies begrijpt mijn onbewuste dat het nu echt óver is, wel echt gebeurd maar niet meer in het nú.  Pas op voor bewustwording! Het geeft je zoveel meer levenselixer. En je ouders?  Tja dat zijn mensen die hun best doen om kinderen op te voeden.

Je kunt me boeken de lezing “Regressietherapie de missende link tussen psycholoog psychiater en coach’’.

Laura Daggers Regressiecoach Hoofddorp